Delen

Mijn moeder had vroeger kleine houten bakjes in de kast liggen. Telkens wanneer we een zak chips mochten open maken, haalde ik de bakjes uit de kast. Nauwkeurig strooide ik wat chips zo gelijkmatig mogelijk over drie bakjes, deelde twee bakjes uit aan mijn broers en hield er eentje voor mijzelf. Ik nestelde mij op de bank met een boek en deed zo zuinig mogelijk met mijn chips om er zo lang mogelijk van te kunnen genieten. Diep verzonken in het verhaal leefde ik mee met de hoofdpersoon, vergat ik alles om me heen – en zag ik de hand van mijn broer niet aankomen. Gegraai in mijn bakje chips! MIJN bakje chips! VAN MIJ! Verontwaardigd over zoveel onrechtvaardigheid, schreeuwde ik naar mijn broer dat het niet eerlijk was, dat hij toch zijn eigen bakje chips had, dat ‘ie het nooit meer mocht doen. Het was van mij, niet van hem.

Delen en gunnen

Ik rende naar mijn moeder toe om steun te zoeken en mij in het gelijk te stellen dat het inderdaad nooit meer mocht gebeuren. Alleen kreeg ik die niet. Integendeel. Mijn moeder werd niet boos op mijn broer, maar wees mij erop dat ik moest leren delen. De drie bakjes betekenden niet dat ieder slechts recht had op één bakje. De drie bakjes waren gewoon een middel om de chips onderling te verspreiden, maar de chips zelf bleef van iedereen. En zo leerde ik dat eten zoveel meer is dan alleen een voedingsmiddel, maar symbool staat voor saamhorigheid en aandacht voor de ander.

Niet voor niets is het in mijn familie gebruikelijk om elkaar met voedsel te overladen. Vroeger vond ik het maar vreemd als mijn moeder weer eens een baal rijst, een tas met sinaasappels of een pan met nasi meenam als we op visite gingen. En tegelijkertijd vond ik het heerlijk om na het bezoek weer naar huis te keren met een volle buik en in mijn handen bakjes vol met het overgebleven eten. Beter te veel dan te weinig, is het credo in mijn familie als het om eten gaat – waarschijnlijk een overgebleven gewoonte uit de tijd dat voldoende eten niet zo’n vanzelfsprekendheid was als nu.

Je ontkomt er niet aan

Voor mij betekent de overvloed van eten een warm ontvangst, maar als er niet-familieleden aanschuiven zie ik ook hoe ongemakkelijk het kan zijn. Mijn oom die maar blijft aandringen om nóg meer op te scheppen, mijn tante die rondgaat met de pan en voorkomt dat je bord ooit leeg komt, mijn nicht die weer langskomt met een schaal vol hapjes. Het antwoord “nee, dank je” lijkt tegen dovemansoren gericht en als het bord van de gasten nooit leeg dreigt te raken, zie ik de radeloosheid in hun ogen en hoor ik ze verontwaardigd mompelen dat het toch hún bord is en zelf zouden moeten kunnen bepalen wat ze wel en niet willen eten. Ik grinnik erom. Bij mijn familie ontkomt werkelijk niemand eraan om te leren wat het is om eten met elkaar te delen. En gelukkig maar.

Bron afbeelding: www.flickr.com/photos/michelroy/

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *